Posts tonen met het label Concrete poëzie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Concrete poëzie. Alle posts tonen

Relatie tussen woord en beeld: Maurizio Nannucci



Maurizio Nannucci: M40/1967
(foto: William Allen Art & Poetry Books London)
De Florentijnse kunstenaar Maurizio Nannucci houdt zich sinds begin jaren zestig bezig met concrete en visuele poëzie. Hij onderzoekt in zijn tekst-, foto- en geluidswerken, diaprojecties, video's, neoninstallaties, stempelkunst en kunstenaarsboeken de complexe relatie tussen woord en beeld, taal en kleur, licht en ruimte, kunst en natuur. De kunstenaar speelt met de letterlijke vorm van woorden en de invloed daarvan op communicatie. Centraal staat het combineren van tekst en vorm, taal en visuele beelden, en hoe deze twee elementen op elkaar inspelen en betekenissen veranderen. Zijn oeuvre is een zoektocht naar manieren om zijn ideeën zo breed mogelijk te verspreiden, los van het officiële en dwingende kunstcircuit. De zeer uiteenlopende media en materialen waarmee Nannucci werkt, zijn het gevolg van deze ambitie (bron: MUHKA).

Typografie en drukwerk domineren een groot deel van zijn oeuvre. M40 is de naam van een Olivetti-schrijfmachine waarmee Nannucci in 1967 een kunstenaarsboek realiseerde. Het werd echter pas in 1976 gepubliceerd in kader van een tentoonstelling in de Nederlandse Multi Art Point Galerie. Het witte boek verscheen in een kartonnen doosje waarop een foto van de M40 en is daarmee zijn laatste werk dat tot de concrete poëzie behoort. Het klavier van de schrijfmachine volgend creëerde Nannucci in M40/1967 (Multi Arts Points Amsterdam 1976 oplage 1000/250 gen./ges. incl. 3 prints) met elke toets een vierkante compositie die associaties oproept met optische rasters. De structuur en de dichtheid van deze patronen wordt volledig bepaald door de vorm van de letter of de leesteken. Nannucci in 1979: "In M40 moest er spatie, bijvoorbeeld, tussen twee tekens was de ruimte van een aanslag, de interlinie was de kleinste ruimte, die ik altijd gelijke heb gehouden. Maar tegelijkertijd was er het uitbuiten van de esthetische mogelijkheden van de machine. Er waren variaties in deze vierkanten, die tenslotte geschapen werden vanuit een noodwendig mechanisme, kleine afwijkingen, zichtbare trillingen afkomstig van de verschillende vorm van de letters. Ik moet hierbij wel vermelden dat het werken met de M40, een oude schrijfmachine van Olivetti, uiterst vermoeiend en zenuwslopend was. Ik wilde geen enkele fout: alle bladzijden zijn volledig foutloos, er staat geen enkele letter te ver of te dichtbij en er werd geen enkele correctie aangebracht. Als ik een fout maakte, herbegon ik de hele bladzij. Er zijn anderzijds wel enkele tekortkomingen van de machine merkbaar, zoals tekens die door het gebruik zijn afgesloten, of aanslagen die iets te hoog of te laag op het papier aankomen" (uit: 51 Kunstenaarsboeken van Johan Pas).

Maurizio Nannucci (bijdrage: Art Information Festival 1975)

Maria Nordman


Omslag en fragmenten uit: Working notes = Aantekeningen
De van oorsprong Duitse kunstenares Maria Nordman woont en werkt in Santa Monica (U.S.A) en wordt bij de 'lichtkunstenaars' gerekend, wegens het gebruik van spiegels, laserstralen en projecties. In haar latere oeuvre grijpt ze ook op andere manier in op de ruimte bijvoorbeeld door beweging van lucht en water, door omgevingsgeluid. De wisselwerking met het publiek speelt een essentiële rol. Het is de toeschouwer die de objecten definieert en de betekenis die het werk krijgt, is dan ook afhankelijk van de gedachten en ervaringen van de desbetreffende persoon en de duur van de interactie. Het karakter van de ruimte, het manipuleren van omgevingsgeluid en de natuurlijke lichtinval zijn binnen dit proces bepalend, evenals de factor tijd.

In 1981 bijvoorbeeld kon het publiek van De Appel in het IJ, ter hoogte van Buiksloterweg 57, een werk bezichtigen van Nordman: het schip de Tjoba (Maleis voor 'probeer 't maar'). In het toenmalige persbericht werd het volgende verklaard met betrekking tot de Tjoba: 'Het werk van Nordman in Amsterdam beperkt zich [niet] tot de ruimte van het schip zelf maar betrekt de totale omgeving erbij; letterlijk een boot tussen andere boten; overdrachtelijk een boot in cultuur-historische context. De waterwegen zijn van evenveel betekenis geweest als de straten van de stad. Het zijn plaatsen waar niet alleen goederen maar ook cultuur worden uitgewisseld. Het water - rivieren, grachten e.d. - fungeert als '(ge)leiding' voor het schip en het schip '(ge)leidt op zijn beurt (de lading) (bron: De Appel Amsterdam).

Een ander voorbeeld is het bouwsel 'Room of the world - La stad' (1984-1986) uit de collectie van Rijksmuseum Kröller-Müller. Deze tijdelijke installatie bestond uit twee objecten. Het ene object bestond uit vier wanden, opgebouwd uit boomstammen die beurtelings op elkaar waren gestapeld. Het licht, geluid en de elementen hadden er vrij spel en beïnvloedden in grote mate de waarneming van diegene die zich in de constructie bevond. Dit in tegenstelling tot het tegenoverliggende object, waar lichtval en geluid te manipuleren en doseren waren. De ruimte in dit houten gebouw was door middel van een deur geheel van de buitenwereld af te sluiten. Binnen speelde tijd geen rol en werd de bezoeker enkel geconfronteerd met zijn of haar eigen aanwezigheid en de beleving hiervan. Het kunstwerk, dat ontstond wanneer beschouwer en beschouwde één zijn, representeerde volgens de Norman als zodanig 'two rooms of the world'. Alleen het concept hiervan wordt nog in het museumarchief bewaard (bron: Beeldentuin Kröller-Müller Museum 2007).

Een werk staat ter overweging aangaande plaatsing
Een werk staat ter overweging
Een werk staat open

(uit: Working notes = Aantekeningen)

In 1980 geeft Rijksmuseum Kröller-Müller een kunstenaarsboek uit van haar, genaamd Working notes = Aantekeningen (Otterlo 1980). Het eerste gedeelte van het boekje wordt in beslag genomen door een aantal aantekeningen in het Engels en Nederlands ("From notations 1967-") in dichtvorm (dakloos, grondeloos, overwerk). De andere helft van het boekje is onbeschreven; er staan alleen lijntjes (in stippelvorm), die nog beschreven moeten worden. Nordman maakt sinds het einde van de jaren zestig installaties en tekeningen, waarbij zij daarbij gedachten, ervaringen en belevingen in vorm van notities verzamelt. Deze notities gaan over cultuurverschijnselen die zich in het hedendaagse leven manifesteren. Zij werkt met begrippen en verschijnselen waarin een relatie bestaat tussen leefvormen en bouwvormen en de betekenis die hieraan gegeven wordt. Bijvoorbeeld uit Working notes = Aantekeningen:

DAKLOOS

een dak boven zijn hoofd hebben
daktuin
schuifdak
iemand iets op zijn dak schuiven
dakbalk
met een plat dak
dakwerk
pannendak
iets van de daken schreeuwen
strooien dak
onder dak brengen
geen dak boven zijn hoofd hebben
dakbeschot
Dak der wereld
dakvilt
onder één dak

Het hoofdthema in haar werk is de tijdservaring. Hoe gaat de mens om met tijd, met het proces van voortgaan en veranderen, een proces waaraan ieder onontkomelijk onderworpen is, maar waarin ook gericht en doelbewust markeringspunten worden aangebracht. In het werk van Nordman wordt een hecht verband gelegd tussen architectuur en taal, de producten en tekens van het denken. Het is niet de constructie van een muur of een gebouw die zij onderzoekt, noch de grammatica van een taal; zij zoekt naar wederzijdse relaties hiertussen en naar de veranderingen die zich in de constructie hiervan voordoen.

Op het moment van ontstaan:

als beschouwer en beschouwde één zijn.

(uit: Working notes = Aantekeningen)

De 'transformer' Luigi Ontani


Luigi Ontani (omslag en titelpagina Jonge Italianen)
De bijdrage van Luigi Ontani aan de catalogus Jonge Italianen (Stedelijk Museum Amsterdam ism Kunsthalle Basel en Museum Folkwang Essen. Sandro Chia, Francesco Clemente, Enzo Cucchi, Nicola de Maria, Luigi Ontani, Mimmo Paladino, Ernesto Tatafiore 1980 oplage 900) is zonder meer het origineelste en creatiefste kunstenaarsboek (afm. 15 x 11,5 cm) van deze uitgave.



Luigi Ontani (fragmenten bijdrage Jonge Italianen)
Hierin zijn foto's van zijn performances (de zogenaamde 'tableaux vivants'), zijn kleine tekeningen in aquarel en inkt van naakte figuurtjes, mythologische en fabelachtige wezens en teksten in facsimile op een bijzondere manier gerangschikt. De 'tableaux vivants' van Ontani zijn statische theaterstukken waarin Ontani door middel van kleding en attributen is uitgedost als een figuur uit de klassieke mythologie, de Bijbel, de beeldende kunst of de literatuur. De ensceneringen resulteren in een performance en/of een foto. De door hem gekozen personages zijn meestal afgeleid van schilderijen en tekeningen. Bij de performances worden ook muziek, literatuur en/of projecties gebruikt. In 1976 bijvoorbeeld voerde Ontani in De Appel Amsterdam het 'tableau vivant' Grillo (Krekel) op, naakt en blazend op een smalle hoorn. In de performanceruimte werden eerdere 'tableaux vivants' en fotomontages geprojecteerd op de vloer en de wanden. Een van die fotomontages was Grillo: Ontani's hoofd en borst met voeten eronder (bron: De Appel Amsterdam).

Luigi Ontani (fragment Jonge Italianen)
De gedachte waarvan Ontani uitgaat, heeft iets wonderlijks naïefs. Als hij iemand uitbeeldt, speelt hij niet zomaar een of andere rol; zijn verbeelding wordt door hem in deze overgedragen omwille van deze persoon. Hij belichaamt het beeld en de mythe en schept daarmee een nieuw beeld, dat als ware alle voorgaande, eerder ontstane vervangt (bron: aanvullende catalogus Jonge Italianen 1980). Ontani behoort net als Luciano Castelli, Jurge Klauke, Wally Stevens, Urs Lüthi en Ulay tot de zogenaamde "transformers". In hun kunst poogden deze kunstenaars op verschillende manieren de maatschappelijk vastgelegde grenzen van de mannelijke en vrouwelijke identiteit te problematiseren, niet uitsluitend door rolverwisseling of door het verkleden maar door de dualiteit van geslachtelijke identiteiten zichtbaar te maken en te behouden (bron: Marga van Mechelen De Appel Amsterdam 2006).

De maskers van Paul de Vree

In Nederland zijn vanaf eind jaren vijftig tot in de jaren zeventig een aantal periodieke uitgaven verschenen met bijdragen van kunstenaars die zeker onder de noemer kunstenaarsboeken geplaatst kunnen worden, waaronder Barbarber (tijdschrift voor teksten), het tijdschrift Fandangos (werd in 1973 opgericht door Raul Marroquin, samen met Marjo Schumans en Anton Verhoeven en uitgegeven van 1973-1978 door Agora Studio Maastricht) en het kunstenaarstijdschrift Kontext (1967-1977) van Michael Gibbs (zelf uitgegeven: Kontexts Publications), later veranderd in Artzien (1978-1982).
Een ander belangrijke uitgave is Subvers, tijdschrift voor (onder meer) konkrete poëzie van Hans Clavin. Hij richtte een eigen uitgeverij op, de Subvers Press, waarbij hij onder andere van 1970-1976 zijn eigen tijdschrift Subvers liet verschijnen. Er zijn twaalf edities verschenen, waarvan zeven gewijd aan één kunstenaar.

Eén van de kunstenaars was de Belg Paul de Vree. De Vree was dichter en beeldend kunstenaar. In zijn oeuvre kunnen we verschillende opeenvolgende periodes onderscheiden. Nadat hij in het begin van de jaren vijftig definitief brak met het schrijven van traditionele poëzie doorliep hij de volgende stadia: audiovisuele poëzie, concreet-visuele poëzie, visuele poëzie en de poesia visiva. Die inhoud draait rond de polen eros (liefde, geborgenheid, euforie) en erosie (dood, vergankelijkheid) en in het verlengde daarvan rond de tegenstellingen rust (aangepastheid, welbehagen, aanvaarding, verinnerlijking) en ontbinding (onaangepastheid, drift, weigering, aanklacht). Centraal in zijn werk staat ook een maatschappelijk (sociaal-kritisch) engagement. Hiervoor gebruikte De Vree vooral beeldmateriaal uit de massamedia. Die beelden worden becommentarieerd met een soms ironische of satirische tekst. Zo wou De Vree via allerhande associaties het geweten en het bewustzijn van de kijker aanspreken (uit: MUHKA).

Paul de Vree (fragment uit: Maskers)
Over de uitgave 'Maskers' schrijft dichter en beeldend kunstenaar Ranaat Ramon: 'Elk blad toont acht maskers, die op grafisch vernuftige en ritmische wijze als versregels worden gepresenteerd. Telkens vier zwarte maskers met witte ‘ogen’ en zwarte tekst daarin, en vier andere vice versa; de laatste twee bladen tonen maskers die, verticaal gedeeld half wit half zwart zijn. Op elke oog is een woord of een woordfragment aangebracht. De teksten – vijf Nederlandstalig, zeven Engelstalig – vormen telkens per blad een geheel, een zin van zestien tot negentien woorden/lettergrepen'.

Opsomming van de Subvers uitgaven:

Subvers 1. De Vree, Carrega, Joseph, Vigo, Damen, Sarenco, Bory, Kurtz, Insingel, Padín, Finch, Clavin, Ferguson, Scaccabarozzi, Van Es, Höhner, Megson, Valoch, De Rook, Tiziano, Niccolai, Spatola, Stikker, Moineau, Luken, Todorovič, Ockerse (Subvers Press IJmuiden 1970)
Subvers 1 1/2.Gomringer, Bense, Fahlström, Garnier, De Vree, Damen, Blaine, Vanderlinde, Williams, Sarenco (Subvers Press IJmuiden 1970)
Subvers 2 Hans Clavin, Porno-graphic poetry (Subvers Press IJmuiden 1971)
Subvers 3+4 Poster Poems. Bertini, Bory, Clavin, Damen, Lichtenauer, Nannucci, Perfetti, Valoch, Targowski, Todorovič, Wabl (Subvers Press IJmuiden 1971
Subvers 5 Herman Damen, Two phonographies (Subvers Press IJmuiden 1972)
Subvers 6 Peter Meijboom, Geschichte (Subvers Press IJmuiden 1972)
Subvers 7 Genesis P-orridge COUM (Subvers Press IJmuiden 1972)
Subvers 8 Herman de Vries, On language (Subvers Press IJmuiden 1972)
Subvers 9+10 Hans Clavin, L'angerie (Subvers Press IJmuiden 1973)
Subvers 11 Paul De Vree, Maskers (Subvers Press IJmuiden 1973)
Subvers 12 Afscheidsnummer (Subvers Press IJmuiden 1976)

Ulises Carrión

Ulises Carrión
(bijdrage: Stempelkunst in Nederland)
De Mexicaanse schrijver en beeldend kunstenaar Ulises Carrión, die zich ook met mail art en stempelkunst bezighield, heeft in 1975 voor het eerst in een essay "de nieuwe kunst van het boekenmaken" gedefinieerd. Deze is gepubliceerd in de kunsttijdschrift Kontexts 6 & 7. In een puntsgewijze opsomming van het belang van kunstenaarsboeken stelt hij vast dat in deze nieuwe kunstvorm elk boek op een ander manier gelezen moet worden en dat men met het lezen kan ophouden als men de hele structuur van het boek begrepen heeft: ‘Een boek kan het toevallige omhulsel zijn van een tekst, waarvan de structuur niet van betekenis is voor het boek: dit zijn de boeken in boekwinkels en bibliotheken. Een boek kan ook bestaan als een autonome en onafhankelijke vorm met daarin wellicht een tekst die de vorm benadrukt, een tekst die er een wezenlijk onderdeel van is: hier begint de nieuwe kunst van het boekmaken' (uit: Metroplis M, Tatatá tatatatá ta Ulises Carrión van Other Books and So).

Carrión heeft er een solotentoonstelling en geeft onder de naam In-Out Productions gestencilde kunstenaarsboekjes uit. Het eerste boekje dat hij publiceert is Sonnet(s) (1972). Het bestaat uit 44 keer hetzelfde sonnet, dat hij steeds enigszins verandert. De richting van de veranderingen wordt aangegeven in de opeenvolgende titels, te beginnen bij Borrowed Sonnet en via typografische bewerkingen als CAPITAL SONNET, Underlined sonnet, ‘tennos derorriM’, naar het laatste Famous sonnet, dat zijn roem aan deze publicatie te danken geeft. De veranderingen zijn soms geestig, maar zeggen ook veel over de soms minimale codes die de taal beheersen, zoals de opbouw van een syllogisme, het hoofdlettergebruik in het Duits en het nut van aanhalingstekens of asterisken.




Ulises Carrión
(fragmenten uit: Arguments)
Bij de uitgever Beau Geste Press in Cullompton verschijnt in 1973 Arguments (oplage 400 ges.), Carrións eerste in offset gedrukte boek. Hierin beschrijft hij in 25 ‘hoofdstukken’ allerlei menselijke verhoudingen door alleen namen te gebruiken die hij in een veranderende typografische relatie zet. De namen naderen elkaar, smelten soms samen en nemen weer afstand. Het boek eindigt met de vraag: 'My name is Ulises. What's yours?' Arguments is een sublieme uitwerking van de stelling die hij in hetzelfde jaar publiceert: 'Alles wat bestaat zijn structuren. Alles wat gebeurt zijn metaforen. Elke metafoor is een ontmoetingspunt van twee structuren'. In een interview met de Amerikaanse kunstenaar Jan van Raay maakt hij in 1979 duidelijk dat hij taal al jarenlang niet meer gebruikt zoals hij dat daarvoor als schrijver deed, maar de taal gebruikt als beeldend kunstenaar, als grafisch element, volume of kleur: 'Ik noem mijzelf geen schrijver, omdat ik taal […] gebruik vanuit een niet-taalkundig oogpunt, maar ik beschouw mijzelf als een schrijver in de zin dat mijn werk een bijdrage levert aan de taal'. (uit: Jan van Raay, ‘End of an Era?’, in: Artzien, januari 1979).

Andere kunstenaarsboeken zijn:

- Sonnet(s) (1972)
- Amor, la palabra (1973)
- Looking for poetry - Tras la poesia (Beau Geste Press 1973)
- Tell me what sort of wallpaper... (In-Out Productions Amsterdam 1973 oplage 50 gen.)
- Dancing with you (In-Out Productions Amsterdam 1973 oplage 100 gen.)
- Conjugations (Love Stories) (Exp/press Utrecht 1973 oplage 250 gen.)
- Margins (Brummense uitgeverij van luxe werkjes Brummen 1975 oplage 36 gen. ges.)
- 6 Plays (Kontexts Publications Amsterdam 1976 oplage 100 gen.)
- Ine ksiazki (1977)
- Box Boxing Boxers (1978)
- O Domador de Boca (i.s.m. Ivald Granato) (Massae Ohno Editor Sao Paulo 1978)
- The Muxlows (Verlaggalerie Leaman Dusseldorf 1978 oplage 300)
- Rubber Bulletin No. 6 (Stempelplaats Amsterdam 1978)
- Ephemera No. 7 (Other Books and So Amsterdam 1978)
- Mirror Box (Stempelplaats Amsterdam 1979)
- Rubber Bulletin Vol. 2 No. 8 (Stempelplaats Amsterdam 1978)
- From Bookworks to Mailworks (1978)
- Van kunstenaarsboeken tot postkunst (1978)
- Mail art and the big monster (1979)
- Rubber Stamp Books (1979)
- Anonymous Quations (VOID Distributors Amsterdam1979)
- In alphabetical order (Cres Publishers Amsterdam 1979)
- Second thoughts (VOID Distributors Amsterdam 1980)
- Names And Adresses “verbal, visual, and aural works 1973-1980” (Agora Studio Maastricht oplage 200)
- Gossip, scandal, and good manners - roduel, schandaal, en goede manieren (Stichting de Appel Amsterdam 1981 oplage 200)
- Verzamelde werken 1980-1 (Galerie da Costa Amsterdam oplage 15)
- T.V. Tonight Video (1987)
- For fans and scholars alike (Visual Studies Workshop Press, Rochester, N.Y. c1987 oplage 200)

In Carrións boeken en projecten wordt op bijzondere wijze een kille, zakelijke structuur voorzien van een emotionele en metaforische inhoud en vormgeving. Zo verhalen zijn gortdroge opsommingen in Arguments over het wel en wee van de liefde. Zijn verhouding met de lezer  ̶  die hij vaak direct toespreekt in het boek  ̶  is persoonlijk en intiem (uit: Metroplis M, Tatatá tatatatá ta Ulises Carrión van Other Books and So).


Ulises Carrión
(omslag en fragment uit: Looking for poetry)

De visuele dichter Hans Clavin

Hans Clavin
i.m. Merilyn Monroe 1968
(fragment uit: Holland var-969)
Hans Clavin (fragment uit: L'angerie 1973)
Hans Clavin English style (bijdrage: Subvers 1, 1970)
De eerste Nederlander die een bundel visuele poëzie publiceerde was Hans Clavin. Hij publiceerde in 1968 twee kleinere uitgaven L'histoire de l'histoire (IJmuiden 1968) en Open het woord (IJmuiden 1968), die vrij onopgemerkt bleven en kwam in 1970 met Holland var-969 (De Tafelronde Antwerpen 1970). Behalve de typografisch zeer gevarieerde concrete gedichten en de hoor- en schrijf-poëzie heeft Clavin in deze bundel een zevental gedichten opgenomen waarin de foto een rol speelt. Twee gedichten zijn opgebouwd uit grafische vormen en letters. Eén hiervan, 'i.m. Marilyn Monroe' was al in 'Open het woord' gepubliceerd. Daarna verscheen Porno-graphic poetry (Subvers Press IJmuiden 1971).

Vietnam, forgotten (?) 1976
(fragment uit: Totaal)
In 1973 verscheen van Clavin L'angerie (De Bezige Bij Amsterdam 1973). Had de ondertitel van 'holland var-969' nog concrete poëzie vermeld, bij 'L'angerie' stond hier visuele poëzie. Het was het eerste van een Nederlands visueel dichter verschenen boek. Clavin heeft hier overwegend collage techniek gebruikt en deze zeer gevarieerd toegepast. Toch zal de bundel bij velen verwarrend zijn overgekomen (uit: Visuele poëzie/zes visies, Instituut voor Esthetica/Universiteit Amsterdam). Clavin heeft ook een bijdrage geleverd aan de gezamenlijke publicatie Totaal (Bert Bakker Amsterdam 1976), Taalbeeld - Beeldtaal, Nederlandse Visuele dichters (Kunsthistorisch Instituut Amsterdam 1975) en diverse publicaties van Kontexts van Michael Gibbs. Een interessante publicatie over Clavin is van Joris van Casteren in de Groene Amsterdammer uit 2000: Vergeten dichter Hans Clavin.


Hans Clavin (bijdrage: Kontexts 6 & 7 1975)

De wisselwerking tussen taal en beeld: Michael Gibbs



Fragmenten uit: Selected Pages 1978
Aan het einde van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig kwamen allerlei buitenlandse kunstenaars naar Nederland, of beter gezegd, naar Amsterdam. Om er zich definitief te vestigen of om er een langere tijd te verblijven. Veel Latijns-Amerikanen (zoals Raul Marroquin, Michel Cardena, Flavio Pons, Claudio Goulart, Ulisses Carrión), een aantal Amerikanen (Nan Hoover, Lawrence Weiner), maar ook Engelsen (o.a. John Liggins), Oost-Europeanen (o.a. Marina Abramovic) en IJslanders (o.a. Sigurdur Gudmundsson). Ze kwamen af op het tolerante leefklimaat, op het gunstige subsidieklimaat en omdat Amsterdam de reputatie had van een creatieve, enerverende en stimulerende stad.

Een van de Engelse kunstenaars die ook naar Nederland kwam is Michael Gibbs. Taal was voor Gibbs een fascinerend onderzoeksgebied. Op alle mogelijke manieren pluisde hij de taal uit om te achterhalen hoe zij werkte, wat de betekenis was, welke transformaties mogelijk waren. En niet voor niets nam hij een citaat van Derrida ‘There is nothing outside the text’ op als motto in zijn boek SOMEVOLUMESOFTHELIBRARYOFBABEL (Amsterdam Ex Libris 1982).

Foto: William Allen Art & Poetry Books  London  (©)

Michael Gibbs, Identities 1 & 2 (uit: Kontexts double issue 6 & 7 1975)

Gibbs schreef aanvankelijk veel concrete en visuele poëzie die hij onder andere publiceerde in het door hemzelf uitgegeven kunstenaarstijdschrift Kontexts (later veranderd in Artzien). Een tijdschrift waarvan kunstenaars richting en inhoud bepaalden, soms met eigen kunstbijdragen. Hieronder een compleet overzicht van tijdschrift Kontexts:


No. 1. Univ. of Warwick, Spring 1969. Ed. 250 copies, this copy no.241. Mimeo printed brown paper envelope, containing 8 poetry cards printed in black on different coloured stock (215 x 146mm); each entitled Kontext 1 through to 8 . Poems and graphics by Michael Gibbs (Avenue, o/I, mark top left from envelope), Andrew Belsey (Paranoia),Paul Merchant (Poem, Portrait), Alan Shut (Sock it to me baby), Terence McCarthy (Storm), Wendy Opie (Poetree).

No. 2. Leamington Spa, Summer, 1970: Michael Gibbs. Ed. 250 copies. Contributors: Bob Cobbing, Andrew Lloyd, Peter Mayer, Alan Riddell, Gerald Rocher, Paul de Vree, Nicholas Zurbrugg, Dom Sylvester Houedard.

No. 3. Summer 1971. limited ed. of 200 on colored paper. Contributors: Jeremy Adler, Peter Finch, Gibbs, Nico Mann, Peter Meyer, Clemente Padin, G.J de Rook, Miroljub Todorovik, Timm Ulrichs, Edgardo Antonio Vigo, Nicholas Zurbrugg; cover by Cobbing ('found sound poem'). Includes blue fingerprint design and letterpress foil poem.

No. 4. Winter 72/73. Limited ed. of 250 copies. Printed: Beau Geste Press. Contributors: Richard Kostelanetz, Dan Graham, Hammond Guthrie, Ken Friedman, Robert Lax, John Giorno, Linda Bandt, Wally Depew, Amelia Etlinger, Michael J. Phillips.

No. 5. Exeter: Michael Gibbs, n.d. Printed: Beau Geste Press. Contents: 4 East European poets (Jiri Valoch, Karel Adamus, Toth Gabor, J.H.Kocman); also Gibbs, Finch, Cobbing, Jochen Gerz, Ulisses Carion etc.

No. 6/7. 1975. limited ed. of 400. Contributors: Ulises Carrión, Clavin, Gibbs, Hutchins, John Liggins, Betty Radin, Stephen Williams.

No. 8. Amsterdam, Spring 1976. Ed. Gibbs & Carrion. Tabloid newspaper format. Contributors: Jackson Mac Low; Henri Chopin; Arrigo Lora-Totino, Liggins et al; together with a report from Le Colloque de Tanger, plus extracts from an interview with William Burroughs by Gerald Minkoff, a photograph of Burroughs looking into a Dream Machine, and 2 full-page b/w photos of two collages from 'The Third Mind'. Reviews largely by Carrion including his review of Gibbs's book Accidence which was thought to be designed with Carrion.

Nos. 9/10. (last publ.). Amsterdam, Winter 1976/77. Ed. Michael Gibbs. Contributors: Dick Higgins; bp Nichol; Peter Mayer; Bill Bissett; Carrion; Robin Crozier; Ladislav Novak; Nicholas Zurbrugg . 

Gaandeweg ging hij zich ook toeleggen op het gebruik van taal in beeldende kunst: in fotografie, videokunst en performances. Zijn eerste performances hadden te maken met klankpoëzie. In 1977 heeft Gibbs de catalogus Kontextsound (Kontext publications oplage 1.000) samengesteld voor de tentoonstelling 'tekst in geluid festival' in het Stedelijk Museum Amsterdam. Zie meer hierover: Kontextsound Stedelijk Museum Amsterdam.
 
Fragment uit: LANGWE JART 1978
Gibbs raakte meer en meer in de ban van de wisselwerking tussen taal en beeld, waarbij vooral de relatie tussen de begrippen ‘aanwezigheid’ en ‘afwezigheid’ hem uitdaagde. Gibbs gebruikte het boek als metafoor, getuige zijn uitspraak ‘everything in the world exists in order to end up as a book, het mag duidelijk zijn dat dat ‘boek’ ook een tekening of foto kon zijn. De kijker werd voortdurend met iets geconfronteerd, dat naar iets anders verwijst. Het ene medium geeft steeds vorm aan het andere, het beeld aan de taal en omgekeerd. "Ik heb een emotionele relatie met boeken, een soort Haat-liefdeverhouding. Het boek is voor mij een metafoor, een erotisch symbool" (bron: catalogus The Absent Words 1980).


Foto: William Allen Art & Poetry Books  London  (©)

De vorm van zijn boeken, die hij over het algemeen in eigen beheer uitbracht, is eenvoudig; gestencild of gedrukt op goedkoop papier, bijeengehouden met een eenvoudig bandje of met nietjes en nergens pretentieus (bron: Stedelijk Museum Amsterdam n.a.v. het overlijden van Gibbs in 2009). Een voorbeeld is Selected Pages (Kontexts publications 1978 oplage 300/26). Gibbs heeft hierin stukken uit zijn boeken overgenomen, gespeeld met lettercomposities en zelfgeschreven teksten afgedrukt. Het geheel wordt afgewisseld met foto's. Dit kunstenaarsboek geeft een boeiend overzicht van zijn oeuvre. Kunstenaarsboeken en publicaties die binnen Kontexts zijn uitgegeven kunnen geraadpleegd worden op: Kontexts publications. Hieronder een opsomming van de uitgaven van Gibbs binnen Kontexts en andere kunstenaarsboeken:

Life Line (Kontexts Publications, Exeter 1972)

Connotations (Second Aeon Publications, Cardiff 1973)
Extinction (In-Out Productions, Amsterdam 1974)
5 coloured alphabets in black and white (Guy Schraenen Editeur, Antwerp 1975 oplage 500)
Accidence (Daylight Press, Krommenie 1975 oplage 125)
Pages (Kontexts Publications, Amsterdam 1976 oplage 100 gen./ges.)
Accidence (Daylight Press, Amsterdam 1976)
Limits (Kontexts Publications, Amsterdam 1977 oplage 200 gen. en 18 ges. copies lettered a t/m q)
Deciphering America : a travelling collection (Kontexts Publications, Amsterdam 1978
Selected Pages (Kontexts Publications 1978 oplage 300 gen. en 26 ges. copies lettered a t/m z)
Pages 2  (Editions Da Costa, Amsterdam 1978 oplage 20 gen./ges)
LANGWE JART (Michael Gibbs en Bill Gaglione 1978)
Wounded Book (Kontexts Publications, Amsterdam 1979 oplage 100 gen.)
Cancellations (Stempelplaats Amsterdam 1980)
The Absent Words (Stedelijk Museum, Schiedam 1980)
SomeVolumesFromTheLibraryOfBabel (Editions Ex Libris, Amsterdam 1982 oplage 1000)
Ocean Park (Editions Ex Libris, Amsterdam 1983)
Lives of the Artists (Editions Ex Libris, Amsterdam 1985)
Innocence & Experience (with Claudia Kolgen. AIR, Amsterdam 1992)
Heaven and Earth (with Claudia Kolgen. Camerawork/Street Level 1994)
Legend, Selected texts 1966-84 (Boekie Woekie, Amsterdam 2004 oplage 200 gen.)
All or Nothing / SomeVolumesFromTheLibraryOfBabel (RGAP, Cromford, 2005)




Fragmenten uit: The Absent Words 1980

Peter Baren, opgedragen aan F. Clemente
(bijdrage uit: Artzien 3e jaargang
nr. 1 januari 1981)



Peter Downsbrough
(bijdrage uit: Artzien 3e jaargang
nr. 1 januari 1981 / 4p. centrefold)

De publicatie 'Totaal'



Het eerste gedicht van de bundel 'Holland var. 969' uit 1973 van Hans Clavin bestaat uit een blauw-wit vaatdoekje met daar op in rode letters 'make ready' gedrukt. Het laatste vers is een stuk schuurpapier met de opdruk 'poetry quality'. De eerste twintig gedichten staan nog sterk in de concrete traditie, met leesbare woorden in een bepaalde, woordbetekenis benadrukkende opmaak. Daarna wordt het vooral visueel, meer beeld, minder tekst. Ook bij andere concrete dichters voltrok zich in die dagen dit proces. Het concrete evolueerde langzaam naar het visuele. In een manifest dat Clavin in 1973 met zijn concrete collega's Herman Damen, Robert Joseph en Gerrit Jan de Rook schreef, werd dan ook geconstateerd dat 'deze alfabeties-estetiese vorm van informatie in het boek en aan de museummuur de bevriezingsdood is gestorven, aangezien zij niet méér had te bieden dan een esteties genot voor het oog (…). De konkrete poëzie heeft zich aldus bijgezet in het Mausoleum van Sophisticated Stuff en Established Art (…)' (uit: De Groene Amsterdammer, de vergeten dichter Hans Clavin, Joost van Casteren).

In 1976 brengen Hans Clavin, Herman Damen, Robert Joseph en Gerrit Jan de Rook de publicatie Totaal 1 uit (Bert Bakker Amsterdam): 'totaal stelt zich over de grenzen van bestaande ekspressievormen op als een teken'taal' die schrift en artikulatie kombineert met of vervangt door beeld, tekening, grafiek, foto, collage, décollage, project, object, signaal, simbool, gebaar, beweging, licht, geluid, reuk, smaak, situatie, rekwisiet, straatbeeld'.

'Totaal is op zoek naar een associatie van tekens die de ervaring kan uitdrukken van een komplekse werkelijkheid, herkennings- of verrassingswaarde heeft voor beschouwer/deelnemer en een komentaar, in kompositoriese vorm, kan leveren op de wereld van bewustzijnsfabrikanten en kommunikatiegiganten, smaakmakers en welvaartslikkers, mét of zonder, rijjijofrijik, self-fulfilling prophecy, sensoren, akseptgirokaarten, verzekerde bewaringen'.

Hans Clavin 'completa'

Herman Damen 'de taal vormt het proeven voor'

Robert Joseph (samen met Pier van Dijk) 'versvoeten' 1972

Robert Joseph 'dichten is wit papier eten' 1971

G.J. de Rook 'wat is de mens'

Herman Damen: Langer Vers; taal mobiliseren

Omslag Kingkorn 1972

betekste koe 1966

pedaal poween 1966


stamp picture 1967

love during the dessert 1967

40+/product of holland 1968

Ozon 1969


In het kunstenaarsboek 'Langer Vers; taal mobiliseren' (eigen beheer Utrecht oplage 1.000 1973) heeft de Utrechtse taalontwerper Herman Damen zijn experimenten met de taal van 1966 tot en met 1972 verzameld. In dit boek, laat Damen zien dat hij een nieuwe weg is ingeslagen vanuit de in de beginjaren zestig vigerende konkrete poëzie en zo de dood ervan heeft bespoedigd. Konkrete poëzie is een verzamelterm voor een internationale vorm van letterkunde die de tekst los wil maken uit zijn lineaire volgorde en het woord hoofdzakelijk als visueel esthetische informatie binnen het boek of de expositieruimte beschouwt.
 
Damen onderscheidt zich in de aanvang hiervan, doordat hij aandacht schenkt aan alle ruimtelijke en zintuiglijke aspecten van de taal. Het woord niet alleen bevrijd uit de syntactische volgorde maar komt ook los van het papier; de taal wordt voorwerpelijk gemaakt; de ondergrond van de tekst wordt uitgebreid, functioneel gemaakt en uiteindelijk geëlimineerd.
 
Damens gedichten ontsnappen aan een bevriezing in een stoffige boekenkast. Peer en stamboekkoe worden betekst, versvoeten op straat gezet, vergroot in een akker geploegd, in de lucht getekend, of in een grot gehouwen (1966). Foto- en filmcamera schrijven het gedicht mee. De dichter neemt niet enkel verantwoording voor het gedicht als manuscript maar ook als druktechnisch of fotografisch ontwerp. Het merendeel van de ontwerpen in Damens jongste bundel bestaat uit foto's, dia's, filmfragmenten van akties, projecten, objecten, kollages, tableaux. Poësis en praxis worden in een adem genoemd.
 
De beschouwer van de taalmanipulaties wordt uitgenodigd tot actieve deelname; het boek is een kijk- en doeboek. Taal wordt kinesisch en kinetisch, beweegbaar en bewegend, te gebruiken en te dragen. Poëzie wordt een verwisselbare en vergankelijke powezie; gemengd, uit elkaar gevallen, versneden, gegeten, uitgescheiden, weggeworpen, geplet, verbrand, begraven. Men levert zo een 'bijdrage tot het egaliseren van de overdreven gedachte aan de onmisbare belangrijkheid van het gedicht. Het mag nu kapot (manifest, AH 5). Poésie pure wordt een auditieve powezie: aan de hand van een partituur is een life en/of radiofonische montage mogelijk. In de 'fonografie' onderzoekt Damen de relatiemogelijkheden tussen visueel en auditief ritme.
 
Via een braille-gedicht en een filmische weergave in kleur van de opstanding van een tekst uit de grond komt Herman Damen tot een centraal ontwerp in zijn zintuigtaal: het 3-dimensioneel alfabet (1969): de taal verwerft een nieuwe dimensie, die van de tastbaarheid.
In de volgende ontwerpen (de bundel is chronologisch opgebouwd) blijkt Damen zijn poëzie relativerende opstelling meer en meer prijs te geven voor een sociaal-kritische stellingname. Werd in 1967 een tekst op het lichaam aangebracht omwille van de tekst, in 1972 wordt de huid beschreven en geïmpregneerd met een cosmetische vloeistof (feedback, succes, trema, personaliteit, etc.) om daarmee de psychologische massage via z.g. persoonlijkheidscursussen te ironiseren.
De gemobiliseerde taal wordt opnieuw gemobiliseerd. 'Langer Vers' slaat niet alleen op de inhoud van het boek, maar is ook de titel van het omslagontwerp, waarin de ontwaarding van het brood en de dollar op originele wijze is gecombineerd: een gesneden wit brood van sneetjes dollarbiljetten op een zilveren ondergrond (uit het pers communiqué 1973).
 
Damen hield zich vanaf 1966 ook bezig met verbosonie en verbophony. Lees meer hierover op: Kontextsound.
 
Andere kunstenaarsboeken zijn:
- Thanksgiving Pentagon (ed. Amodulo Brescia 1972 oplage 1.000)
- Poesia Visivia (catalogus; Studio Brescia 1972 oplage 1.000)
- Zintuigtaal (ed. Exp/Press Utrecht 1973 beperkte oplage)
- $Junta-diaboek (Eigen uitgave Utrecht 1973 oplage 13 gen.)
 
Damen heeft verder het Tijdschrift voor verbaal-plasticisme 'AH' uitgegeven vanaf 1966 met diverse bijdragen van andere kunstenaars. Er verschijnen tien nummers.
 
psycho-cybernetics 1972

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...