Posts tonen met het label Clavin. Hans. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Clavin. Hans. Alle posts tonen

De visuele dichter Hans Clavin

Hans Clavin
i.m. Merilyn Monroe 1968
(fragment uit: Holland var-969)
Hans Clavin (fragment uit: L'angerie 1973)
Hans Clavin English style (bijdrage: Subvers 1, 1970)
De eerste Nederlander die een bundel visuele poëzie publiceerde was Hans Clavin. Hij publiceerde in 1968 twee kleinere uitgaven L'histoire de l'histoire (IJmuiden 1968) en Open het woord (IJmuiden 1968), die vrij onopgemerkt bleven en kwam in 1970 met Holland var-969 (De Tafelronde Antwerpen 1970). Behalve de typografisch zeer gevarieerde concrete gedichten en de hoor- en schrijf-poëzie heeft Clavin in deze bundel een zevental gedichten opgenomen waarin de foto een rol speelt. Twee gedichten zijn opgebouwd uit grafische vormen en letters. Eén hiervan, 'i.m. Marilyn Monroe' was al in 'Open het woord' gepubliceerd. Daarna verscheen Porno-graphic poetry (Subvers Press IJmuiden 1971).

Vietnam, forgotten (?) 1976
(fragment uit: Totaal)
In 1973 verscheen van Clavin L'angerie (De Bezige Bij Amsterdam 1973). Had de ondertitel van 'holland var-969' nog concrete poëzie vermeld, bij 'L'angerie' stond hier visuele poëzie. Het was het eerste van een Nederlands visueel dichter verschenen boek. Clavin heeft hier overwegend collage techniek gebruikt en deze zeer gevarieerd toegepast. Toch zal de bundel bij velen verwarrend zijn overgekomen (uit: Visuele poëzie/zes visies, Instituut voor Esthetica/Universiteit Amsterdam). Clavin heeft ook een bijdrage geleverd aan de gezamenlijke publicatie Totaal (Bert Bakker Amsterdam 1976), Taalbeeld - Beeldtaal, Nederlandse Visuele dichters (Kunsthistorisch Instituut Amsterdam 1975) en diverse publicaties van Kontexts van Michael Gibbs. Een interessante publicatie over Clavin is van Joris van Casteren in de Groene Amsterdammer uit 2000: Vergeten dichter Hans Clavin.


Hans Clavin (bijdrage: Kontexts 6 & 7 1975)

De publicatie 'Totaal'



Het eerste gedicht van de bundel 'Holland var. 969' uit 1973 van Hans Clavin bestaat uit een blauw-wit vaatdoekje met daar op in rode letters 'make ready' gedrukt. Het laatste vers is een stuk schuurpapier met de opdruk 'poetry quality'. De eerste twintig gedichten staan nog sterk in de concrete traditie, met leesbare woorden in een bepaalde, woordbetekenis benadrukkende opmaak. Daarna wordt het vooral visueel, meer beeld, minder tekst. Ook bij andere concrete dichters voltrok zich in die dagen dit proces. Het concrete evolueerde langzaam naar het visuele. In een manifest dat Clavin in 1973 met zijn concrete collega's Herman Damen, Robert Joseph en Gerrit Jan de Rook schreef, werd dan ook geconstateerd dat 'deze alfabeties-estetiese vorm van informatie in het boek en aan de museummuur de bevriezingsdood is gestorven, aangezien zij niet méér had te bieden dan een esteties genot voor het oog (…). De konkrete poëzie heeft zich aldus bijgezet in het Mausoleum van Sophisticated Stuff en Established Art (…)' (uit: De Groene Amsterdammer, de vergeten dichter Hans Clavin, Joost van Casteren).

In 1976 brengen Hans Clavin, Herman Damen, Robert Joseph en Gerrit Jan de Rook de publicatie Totaal 1 uit (Bert Bakker Amsterdam): 'totaal stelt zich over de grenzen van bestaande ekspressievormen op als een teken'taal' die schrift en artikulatie kombineert met of vervangt door beeld, tekening, grafiek, foto, collage, décollage, project, object, signaal, simbool, gebaar, beweging, licht, geluid, reuk, smaak, situatie, rekwisiet, straatbeeld'.

'Totaal is op zoek naar een associatie van tekens die de ervaring kan uitdrukken van een komplekse werkelijkheid, herkennings- of verrassingswaarde heeft voor beschouwer/deelnemer en een komentaar, in kompositoriese vorm, kan leveren op de wereld van bewustzijnsfabrikanten en kommunikatiegiganten, smaakmakers en welvaartslikkers, mét of zonder, rijjijofrijik, self-fulfilling prophecy, sensoren, akseptgirokaarten, verzekerde bewaringen'.

Hans Clavin 'completa'

Herman Damen 'de taal vormt het proeven voor'

Robert Joseph (samen met Pier van Dijk) 'versvoeten' 1972

Robert Joseph 'dichten is wit papier eten' 1971

G.J. de Rook 'wat is de mens'

Concrete poëzie

Hans Clavin (fragment uit: L'histoire de l'histoire)

Nahl Nucha 'Synthese' (fragment uit: Nodiden)
Herman Damen Proletarier
(Bijdrage Subvers 1, 1970)

Herman de Vries en Stanley Brouwn zijn in Nederland na hun Zero- en Fluxusperiode de sleutelfiguren op het gebied van het kunstenaarsboek. Ze representeren in hun latere boeken twee stromingen in de beeldende kunst waarin het kunstenaarsboek een belangrijke rol speelt: de conceptuele kunst en concrete poëzie (Bool en De Rook). Beide (en ook Fluxus) hebben de aandacht van taal gemeen.

De concrete poëzie is een term die sedert het begin van de jaren vijftig wordt gebruikt ter aanduiding van experimentele dichtkunst, waarbij poëzie en typografie ten nauwste samengaan. De concrete poëzie stelt zich ten doel 'het traditionele literaire beeld te vervangen door de extra-linguistieke figurale relatie, door het typografische beeld. Hun werk speelt zich af op de grensgebieden van typografie, beeldende kunst en literatuur. Deze poëzieopvatting ontwikkelde zich na de oorlog uit de aanzetten die door Futurisme, Dadaïsme en De Stijl waren gegeven. Na de oorlog werkten Dieter Roth, Ian Hamilton Finlay, Ed Ruscha en Marcel Broodthaers, de vier 'aartsvaders' van het kunstenaarsboek, vanuit literatuur in het algemeen en poëzie in het bijzonder (Goethals).

Een andere en recente definitie (bron: Algemeen letterkundig lexicon DBNL 2013):
Verzamelnaam voor modernistische poëzievormen waarin bij uitstek datgene gebruikt wordt wat materieel-concreet is aan de taal (klank, grafisme). De taal wordt hoofdzakelijk beschouwd als grondstof waarmee een autonoom object kan gemaakt worden. Historisch gezien ontwikkelde de concrete poëzie zich vanaf Mallarmé (Un coup de dés jamais n’abolira le hasard, 1897) via futurisme, dadaïsme, De Stijl (Theo van Doesburg) en het lettrisme, tot zij omstreeks 1955 definitief gestalte kreeg in de ‘Konstellationen’ van E. Gomringer. Zij komt voor als een vermenging van poëzie en muziek (akoestische of fonetische poëzie) of van poëzie en grafiek (visuele poëzie). Paul van Ostaijen schreef poëzie met een ritmische typografie in Bezette stad (1921) en I.K. Bonset publiceerde zijn X-beelden (1920-1921). Wat de subgenres betreft, bestaat er een grote terminologische onduidelijkheid. Men spreekt o.m. over figuurgedichten, typogrammen, constellaties, ‘poweemobjekten’ (Herman Damen), e.a. Verdere ontwikkelingen zijn de spatiale en de kinetische poëzie, die gebruikmaken van de driedimensionale ruimte. De poesia visiva (It.), of visieve poëzie (ook visiepoëzie) combineert tekst, fotografie en knipsels tot collages met maatschappijkritische bedoelingen. In het Nederlandse taalgebied werd de concrete poëzie voornamelijk beoefend rond het (kunstenaars)tijdschrift De Tafelronde (1953-1981) van Paul de Vree (bijv. Paul de Vree, Zimprovisaties, 1968). In 1970-1971 werd in het Stedelijk Museum van Amsterdam een tentoonstelling van concrete poëzie ingericht.

In Nederland treden enkele dichters op met vrijwel elk hun eigen blad: Frans van der Linde met Vers Univers (1966-1967), Integration (1965-1972) van Herman de Vries, AH (1969-1972) van Herman Daamen, Bloknoot (1969-1972) van o.a. Robert Joseph en Gerrit Jan de Rook en Sub-vers (1970-1972) van Hans Clavin. Ze brengen allemaal eigen varianten aan en leggen klemtonen in een poëzie, die concreet is in die zin dat ze gebruik maakt van datgene wat zintuiglijk concreet is aan de taal, nl. klank en/of vorm van woorden of letters (bron: Raakpunten tussen Nederlandse poëzie en beeldende kunst sinds 1945, Ons Erfdeel 1984).

Erik Slagter geeft in 1979 de volgende definitie: ‘De dichtkunst waarin het schrift er niet alleen staat om zijn betekenis, maar (tevens) om zijn vorm of klankkleur die in gelijke mate het scheppingsproces kunnen beïnvloeden (...)’. In het spoor van De Vree en anderen geeft hij het verschijnsel een indrukwekkende voorgeschiedenis, die teruggaat tot 300 vóór Christus om vervolgens via allerlei maniëristische marginalia voorgoed te beginnen bij Mallarmé's

Binnen de combinatie van poëzie en typografie is een groot aantal variaties mogelijk. Zowel literaire inhoud als grafische vormgeving kunnen uitgangspunt zijn. Gaat het voornamelijk om poëzie, dan is de typografie een hulpmiddel ter versterking van de literaire inhoud (b.v. Janssen). Is echter de visuele vormgeving primair, dan worden letters en woorden los van betekenis en tekstverband, dus alleen om hun grafische eigenschappen gebruikt (b.v. Damen). De typografie is in het eerste geval dienend, in het tweede autonoom. De middelen waarmee concrete poëzie gerealiseerd kan worden variëren van schrijfmachine (o.a. Nucha en Clavin) tot meer ingewikkelde drukprocedés.

Gaat het bij de concrete poëzie om het visuele aspect, dan spelen losse woorden en letters in de composities een belangrijke rol. Vaak maakt men gebruik van letters of lettercombinaties met bepaalde associatieve betekenis (b.v. Nucha). De literaire richting in de concrete poëzie is toegespitst op een min of meer betekenisvolle tekst (Blotkamp, Haks e.d. Kunst van nu 1971).

Er is sprake van visuele poëzie indien de gedichten die gemaakt zijn om, met middelen uit de beeldende kunst ontleend, inhouden over te dragen. Of anders gezegd: poëzie waarbij de schrijfwijze (of typografie) de inhoud van de tekst illustreert. De visuele poëzie opent een discussie tussen de meest verschillende media van de communicatie en beeldende kunst (een mengvorm van poëzie en beeldende kunst). Kunstenaars gebruiken soms letters in hun visuele werken, maar ze geven die beeldend gebruikte letters en woorden een andere, eigen, betekenis.

Behalve Herman de Vries horen in Nederland in deze context ook:

Hans Clavin (L'histoire de l'histoire 1968 en L'angerie - visuele poëzie 1973)

Herman Damen (Thanksgiven Pentagon Brescia 1972, Langer vers. Taal mobiliseren 1966-1972 Utrecht 1975 en $Junta-diaboek Utrecht 1973)

Paul de Vree (poëZIEN Brescia 1971)

Peter Meijboom (Geschichte Subvers 6 IJmuiden 1972 (oplage 300)

Pier van Dijk (Zonwering PQR Delden/Duiven 1971 en Ei-boekje (gedicht) 1971)

Nahl Nucha (collectief pseudoniem Wouter Kotte & Ton Luiting: Chairman Mao Edizioni Amodulo, Villanuova sul Clisi, Italy. 1971 en Nodiden 23 tematiese oefeningen IJmuiden Subvers-press 1971)

G.J. de Rook (Witte gedichten 1970 (oplage 60), Proefonderzoek, Bloknoot Arnhem 1971 (oplage 75), Dutch railway system Utrecht 1971 (oplage 66), Xprmntl ptry Nijmegen Exp/press 1971, Life, In-Out Productions 1973, Days In-Out Productions Amsterdam 1974, Het menselijk bestaan 1974/1975, Stencilkunst Utrecht 1975 (oplage 10), Book for Ulises Utrecht ca. 1975)

Servie Janssen (Platmond Maastricht 1975)

Harry Hoogstraten (Onze ramen op het Oosten: gedichten 1967-1972 Haarlem In de Knipscheer 1978, Boxing days: poems & visuals 1975-1979 Haarlem In de Knipscheer,1979 en A book of typo's Amsterdam Brand New Office Publications 1978)

Pier van Dijk en Robert Joseph (Gedicht met twee stoelen Hengelo 1979, 'handlungen' Hengelo PQR 1979, Zoeken naar middelpunt Gorinchem 1980 en 'handshakes V' Hengelo PQR 1981)

Marten Hendriks & G.J. de Rook Specimen 1 en 2 1/2 Exp/press Utrecht 1975

Michael Gibbs (Zie overzicht op CV Michael Gibbs)

Nahl Nucha (bijdrage: Art Information Festival Middelburg 1975)
Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...